techniek

De molensteengroeves van La-Ferté-sous-Jouarre

De meulière, is een kiezelhoudend sedimentgesteente dat werd gebruikt om molenstenen te vervaardigen. Deze steen is zeer sterk en onveranderlijk. De speciale kwaliteit van de molensteen van Ferté-sous-Jouarre was onvergelijkbaar voor het malen van graangewassen. De onbetwistbare superioriteit was te wijten aan het feit dat deze steen, sponsachtig en toch zeer hard, lang zijn oneffenheden behield en toeliet de graankorrels fijn te vermalen zonder dat er steenstof in het meel terecht kwam.

Naargelang de typische samenstelling kende deze steensoort nog 2 toepassingen. De compactere kalksteen werd in het land van Brie o.a. gebruikt bij de bouw van de Arc de Triomphe, de Sorbonne en de Sacré Coeur. De zeer harde brokken, waaruit alle kalk was weggespoeld, werden veel gebruikt in de woningbouw omwille van haar grote isolatiekenmerken en voor funderingswerken van tunnels en kelders. Men vindt deze karakteristieke huizen terug in de streek van Brie, tot in de buitenwijken van Parijs.

^ naar boven ^

35 miljoen jaren terug in de tijd

In het tertiair en kwartair tijdperk werd gedurende een lange periode kalksteen gesedimenteerd waarbij ook travertijn en kiezelhoudend zand werd achtergelaten. Na dit tijdperk volgde een periode waarbij als gevolg van het vochtige klimaat en de vele regen, veel erosie plaats had. Door silicificatie kwam de vorming van de molensteenlaag of "la meulière" tot stand. Deze dichte steenlaag bleek perfect geschikt voor de vervaardiging van molenstenen. De heuvelgordel die de stad Ferté-sous-Jouarre omringt, bevat hellingen die hun naam aan de beroemde groeves van kwaliteitsmolenstenen hebben gegeven. Reeds in de Oudheid werden in La Ferté sous Jouarre molenstenen gedolven.

Op de heuvel van Tarterel, op de linkeroever van de Marne, was in de XII° eeuw één van de belangrijkste groeves. Men pretendeert zelfs dat hun productie toonaangevend was voor de opkomst van de watermolens. In 1860 waren hier het grootste aantal groeves in gebruik. Men dolf er poreuze stenen voor de Franse molensteen en de volle stenen voor de Engelse steen.

Op de rechteroever lag de groeve la Justice en het bois de la Barre. Hier vond men molensteenlagen van verschillende textuur maar van een superieure kwaliteit.

Aanvankelijk werden molenstenen gekapt door onafhankelijke arbeiders. Maar vanaf de XVIe eeuw, werden zij kooplieden-ondernemers, die molensteenarbeiders in dienst hadden. Deze ondernemingen stelden meer dan 800 personen te werk. Molenstenen van Ferté onder Jouarre waren gekend als de beste van Europa en werden geëxporteerd naar Engeland, Noord-Amerika tot zelfs in Australië. In 1835, telde de molensteenindustrie 23 ondernemingen waar 1381 arbeiders werkten.  

De grootste firma Gueuvin-Bouchon produceerde jaarlijks 1000 tot 1200 molenstenen en tot 100.000 ruitvormige stukken met 500 tot 600 werknemers.

^ naar boven ^

De barre levensomstandigheden van de molensteenarbeider

Het werk van de molensteenarbeider was zeer ruw en zwaar. Zij werkten buiten in weer en wind en torsten enorme gewichten. Velen onder hen begonnen op hun vijftiende te werken in de groeven. Het poederfijne steenstof zweefde overal rond en veroorzaakte silicose wat bij acht op tien arbeiders ontaardde in tuberculose. Kleine silexschilfers drongen onder de huid en vormden een tatoeëring. Daardoor had de molensteenarbeider blauwe handen en een lelijk geschonden gelaat. Zij oefenden een van de ongezondste beroepen ter wereld uit. Pas begin de 20° eeuw droegen de arbeiders een pet, een stofbril en een hemd met versterkte epauletten, dat tot aan de hals dichtgesnoerd was met een koord.

Het vele stof werd na het werk weggespoeld in de talrijke estaminets in La Ferté zodat alcoholisme welig tierde. Vijftien jaar werken in de groeves werd een jonge en robuuste man zeker fataal.

^ naar boven ^

De werkwijze

Met pieken van 80 kg zwaar en 3 tot 4 meters lang peilde men naar de lagen van de molensteensteen. Deze bevond zich onder een laag klei in een bank van 5 tot 8 meters dikte en op een diepte van minstens 12 meter. In grote sleuven werd de steen uit de rode klei getrokken. Aanvankelijk maakte men enkel grote monolieten.

De stenen hadden een omtrek van 70 à 80 cm, maar evengoed werden blokken uit één stuk gedolven van 1,80 tot 2,30 meter. De arbeiders zetten een cirkel uit en kapten de omtrek van de steen uit. Onder de steen werden houten blokken geheid in de grond die men nadien nat maakte en zo liet zwellen. In de vrijgekomen ruimte kon men met behulp van houwelen de monoliet loskappen.

Men maakte blokken steen los waaruit met 3 tot 5 molenstenen kon trekken. De arbeiders deden er weken over om ze op maat te kappen. Als men aan het einde van het werk een gebrek in de rots vaststelde, moest deze steen opgegeven worden. De arbeiders droegen aanvankelijk de stenen uit de groeve met behulp van draagberries.

Als enige hulp hadden ze rudimentaire gereedschap zoals een koevoet en een lier. Later werden er rails aangelegd en konden de stenen in wagonnetjes vervoerd worden. Het spreekt vanzelf dat het vervoer van de loodzware molenstenen over het rotsachtig terrein zeer gevaarlijk was. Er gebeurden dan ook vaak ernstige ongelukken. Armbreuken en rugletsels kwamen meest voor. Niet zelden werd een arbeider verpletterd onder een molensteen teruggevonden.

In de jaren 1820-1830 werden de monolieten stilaan vervangen door samengestelde stenen. Naarmate de grondstof niet altijd in dergelijke grootte en hoeveelheid voorkwam, stelde men de molenstenen samen uit twee of drie grote grove stukken.

De loonwerker "pelde" de steen om hem te kunnen bestuderen. Het ging erom de verschillende stukken te classificeren volgens hun kwaliteit wat een zeer zeldzame kennis en een praktijk vroeg. Het was belangrijk om de hardheid, de korrel, de poreusheid en de kleur van de stenen te overwegen. Men hield bij de keuze van de steen rekening met het systeem van maalderij en met de aard van de tarwe die in de landen waarnaar men exporteerde voorkwam.

Men koos eerst de steen waaruit de kern gemaakt zou worden. Die moest meestal uit één stuk zijn. Rond dit centrum werden ruitvormige stukken geplaatst. Ze werden met de grootste nauwkeurigheid op maat gekapt, geplaatst en met pleisterkalk dicht gecementeerd. Wanneer de molensteen de gewenste grootte had, werd hij aan de smid geleverd, die er een grote ijzeren ring omheen bevestigde. Vervolgens schetste de "rayonneur " een aantal stralen in de steen naargelang de kwaliteit van de steen of het soort maalderij waarvoor hij bestemd was.

De typische holtes in de steen zorgden voor afkoeling waardoor men een hogere maalproductie verkreeg. Daarna kreeg de steen een laag pleisterkalk om hem het vereiste gewicht en de juiste dikte te geven. Het opstellen van een molensteen eiste ongeveer een maand van zorgen en werk.

^ naar boven ^

Crisis

Men had aanvankelijk geen middelen tot vervoer, de ondernemingen installeerden zich daarom op de delfplaatsen in de heuvels. Veel later, in 1881, wanneer een aantal ondernemingen de krachten verenigden tot een associatie, installeerde men ateliers aan de oever van de Marne. Met een ingenieuze luchtbrug werden de stenen over de huizen en rivier getransporteerd naar de ateliers. Vele mensen woonden onder deze primaire luchtbrug, niet zelden lieten ze het leven bij een ongeluk.

Vanaf 1860 doken de eerste grote industriële molens op. Men gebruikte er niet meer de klassieke molensteen maar hanteerde een gloednieuw systeem van porceleinen cylinders om te malen. De aanleg van de buitenwijken van Parijs gaf gelukkig een nieuwe elan aan de bedrijvigheid. Vele huizen werden er opgetrokken in dezelfde steensoort. Dankzij de luchtbrug konden de ruwe steenbrokken rechtstreeks geladen worden in de rivieraken aan de "port aux meules", die het bouwmateriaal vervoerden naar de hoofdstad.

In 1910 brak een hevige en langdurige stakingsperiode uit omwille van de barre werkomstandigheden. De "grote oorlog" zorgde opnieuw voor een grote malaise in de molensteenindustrie. Na de bevrijding en met de opkomst van allerlei nieuwe machines ging, ondanks de vele inspanningen om de bedrijvigheid te moderniseren, het ambacht stilaan teloor. In 1920 bleven er slechts 2 ondernemingen met minder dan 100 arbeiders over. In 1951 sloot de directie definitief de poort van de fabriek.

^ naar boven ^

Wat rest?

De vele groeves zijn uiteraard verdwenen. Maar toch is een bezoek aan La Ferté sous Jouarre uitermate boeiend, ontspannend én daarom leuk..

De natuur heeft het Bois de la Barre opnieuw ingepalmd met 165 verschillende soorten planten zoals boshyancinth en bosanemoon. Mannetjesorchis heeft opnieuw de overhand op de kalkrijke bodem. De oude delfputten zijn geëvolueerd tot kleine poelen waarin kikkers en salamanders samenleven. Langs het uitgestippelde wandelparcours zijn schitterende educatieve panelen geplaatst waardoor je een zicht krijgt op het leven van de molensteendelvers.

De fabriek aan de oever werd afgebroken. Op die plaats staat nu een lelijk warenhuis. Aan de voet ervan, kun je echter zalig picknicken aan de oever van de Marne op de "Port aux meules".

Her en der vind je in het stadje molenstenen terug, liggend tegen een gebouw, aan de ingang van de camping, als versteviging van een muurtje.

Breng er zeker een bezoek aan de "office du tourisme". Een begeesterde dame biedt je tal van folders aan en heeft leuke tips, zoals een bezoek aan "la maison du meulier" met een indrukwekkende collectie molenaarsgereedschap en molenstenen allerhande, een wandeling langs het 8 km lange "circuit pédestre de la meulière" of een tocht langs de vele huizen en pierre meulière" en de niet te missen "sentier des meuliers" in het Bois de la Barre.

Tot slot: je zit vlakbij de Champagnestreek waar proeverijen schering en inslag zijn.

Bron: op de website vind je heel wat informatie bij de rubriek toerisme.

 


^ naar boven ^