Inleiding
De Van Hauwermeirsmolen werd voor het eerst vermeld op een kaart
van de Gentse landmeter Horenbault uit 1592, samen met de Maelbroekmolen.
We vinden de watermolen ook in het metingboek van Massemen (een
kadastraal register) uit 1666. Hierin wordt vermeld dat er een molen
te Maelbroek gelegen is, wat zeer waarschijnlijk de huidige Maalbroekmolen
in de Molenbeekweg is.
Er stond eveneens een "werrende muele" aan de Molenbeek,
tegen de stenen brugge aan de weg Massemen Plaatse-Oordegem. Wellicht
slaat deze vermelding op de Van Hauwermeirsmolen in de Watermolenstraat.
In 1693 worden beide molens nogmaals vermeld.

Beschermd als monument
De molen werd op 17 februari 1994 beschermd als monument om reden van industrieel archeologische waarde :
als monument:
de watermolen, genaamd "Van Hauwermeirsmolen", met inbegrip van het molengebouw, alle roerend werk met toebehoren onroerend door bestemming of aard, de sluis met de basis van korenwatermolen en voormalige oliemolen en de waterraderen;
om reden van het algemeen belang, gevormd door de industrieel archeologische waarde als korenwatermolen uit 1798, deel van een voormalige dubbelmolen, reeds vermeld in 1666, met bovenslagraderen, natuurstenen sluiswanden, 3 koppels maalstenen, hulpwerktuigen en oorspronkelijke dakconstructie;
de kollergang en de fabrieksschoorsteen in campanileopstelling van de voormalige olieslagerij;
om reden van het algemeen belang gevormd door de industrieel archeologische waarde als verwijzing naar de latere industriële bestemming van dit site en als goed bewaard voorbeeld van een kollergang en fabrieksschoorsteen van het ronde type uit 1909.
als dorpsgezicht:
De onmiddellijke omgeving van de watermolen, om reden van de industriël-archeologische waarde als watermolensite met dubbelmolen dat reeds in 1666 werd vermeld en dat rond de eeuwwisseling met een industriële olieslagerij werd uitgebreid.
^ naar boven ^
De Heren van Massemen
Op het einde van het Oostenrijks tijdvak (1750) krijgt de familie
d'Arenberg te Massemen meer en meer gezag. Een zoon van Pierre d'Arenberg
huwt met een "de Merode''. Meteen is dit de laatste familie
die de naam Heren van Massemen verdient.
Tal van generaties de Merode hebben bezittingen in Massemen sinds
het huwelijk van August d'Arenberg met een lid van deze familie.
Deze worden tenslotte door huwelijk verbonden met de prinsen de
Lancelotti.
De graanmolen en het stampkot blijven eigendom van de d'Arenbergs
en van de Merodes.
In 1948 wordt de molen verkocht aan de familie Van Hauwermeir, maar
reeds in het begin van de 19° eeuw is een Van Hauwermeir molenaar
op deze molen.
^ naar boven ^
De familie Van Hauwermeir
Op agtien hondert twaalf tekent Pieter Livinus Limpens als "afgaende
pagter een prijsye voor de draeyende werken van den graen ende oliemolen
en verclaert ontfangen thebben van Joannes Van Hauwermeir de somme
van twee duyzent hondert vijfentwintig guldens, courant geld."
Dit oude document brengt de eerste Van Hauwermeir ten tonele.
De prijzijakte bevat onschatbare details over de
inrichting van watermolen en stampkot.
De complete inboedel wordt er beschreven en de waardebepaling wordt
uitgedrukt in guldens
vb. het waterwiel armen en bakken 6=10=0.
Zo waren er "twee loopers met den ligger, oliebakken, twee
olie immers met een kopere kanne, een pompe met dry tragters ...,
den witten loopenden steen breed 5 vouten alf is dit bevonden tot
twaelf en een guart geprezen a twintig gulden den duym..."
Dat de oliemolen waarschijnlijk het belangrijkste bedrijf was blijkt
uit "den kleynen molen", waarmee men de graanmolen omschrijft.

De verschillende huurcelen bestrijken samen een
periode van 100 jaar, welke telkens op Kerstdag ingingen voor 6,9
of 12 jaren. Deze oude documenten bevatten historische details inzake
pachtgebruiken en geplogenheden in de streek. Zo staat in de akte
van 1836 dat de pachter verplicht was de huur te zullen betalen
binnen "dry maenden na den vervaldag in handen van 's heer
Eigenaars gemagteden Ontvanger met gangbare goude of zilveren munten
en niet in papier noch andere verbeeldende effecten..."

De akte werd ondertekend in het bijzijn van zijne
doorluchte hoogheid Pierre d'Alcantara-Charles-Marie Prins d'Arenberg
en de pachter Van Hauwermeir ten huize van notarisfamilie Leirens.
Achtereenvolgens tekenen Joannes, later Feliciaen Van Hauwermeir,
eerst als diens minderjarige zoon, later als volwaardige pachter,
waarna de weduwen Van Boxstaele en De Gehuchteneire blijkbaar het
roer overnemen.
De familie Van Hauwermeir pachtte toendertijd "een behyusde
hofstede in erve, met schuer, stallingen en ander gebouwen, benevens
de watermolens respectivelijk tot malen van granen en stampen van
oliën ingerigt, ende medegaende zaeylanden en meersschen in
't geheele uytmakende een oppervlakte van omtrent acht hectares,
dryentachtig aren,zesenzestig centiaren..."
Waar we heden een populierenbos kennen staat een "perceel nieuw-ingerichten
elsen kapbosch, gelegen tusschen den molenkauter en de Beke, groot
een hectare, zesenveertig aren, zesenzestig centiaren, palende nordoost
den artikel een, zuydoost de Beke, met de rede van den langenmeersch,
iegens het Beeksken, en noordwest den uytplant iegens de rede van
den molenkauter".
De pachter kon geen vermindering van de huurprijs bedingen om "redenen
het wezen mogte, zelfs niet voor hemelsvuur, oorlogsmannen, ook
niet voor stilstand des molens, tzij bij gevolg van reparatiën
aendenzelfden werkingen aen beken of dyken, gebrek aen neringen,
waterloosheyd , en andere toevallen..."
Hij was gehouden te zorgen voor de goede staat van straten, grachten,
goten, zeppen en waterlopen en "wel namentlijk de Molenbeek,
deszelfs boorden of de dyken en afhankelijkheden , en zoo er door
eigenaars van aan die beek palende goederen, aan haar boorden of
andersints werkingen kwamen verricht te worden welke als onbetamelijken
schade verwekkende voor d'exploitaite der molens, zouden kunnen
beschouwd worden, zal de pachterig, zonder verwijl van die dadelijkheden
moeten bericht geven aan d'heer Gemagtigden..."
Waren de heren prinsen zeer uitgebreid wat verplichtingen en beperkingen
van de pachter betrof, over het maalloon van de molenaar was men
zeer kort van stof "De pagterig zal zich moeten bevredigen
met een maalloon volgens plaatselijk gebruik of anderen welke door
de bevoegde overheid mogte worden ingevoerd".
^ naar boven ^
De moderne tijden
Op 28 oktober 1893 doet August Van Hauwermeir bij het College van
Burgemeester en Schepenen te Massemen een aanvraag met bijgaande
plannen en tekeningen tot het plaatsen van een stoomketel en stoomtuig
op zijn watermolen. Mits in achtneming van strenge voorwaarden tot
exploitatie verleent het schepencollege met secretaris Verschueren
zijn toestemming.
Was de mallemolen van administratie en ambtenaren toen ook al legendarisch
of zijn er andere onbekende oorzaken, in ieder geval is August Van
Hauwermeir reeds overleden als de provinciegouverneur van Oost-Vlaanderen
op 17 december 1909 zijn goedkeuring verleent aan Weduwe A. Van
Hauwermeir-De Porre, het besluit wordt bekrachtigd door de vroegere
secretaris en burgemeester van Massemen, Verschueren. De machine
wordt geleverd door de Ateliers Mahy§frères van Wondelgem.
Wat ooit een uniek samengaan was van olie- en graanmolen,
aan weerszijden van de beek, elk met een eigen rad, wordt in 1909
verstoord door een imposante aanbouw van een "moderne olieslagerij"
met aanpalende schoorsteen en hangaar.
Naast de stoomketel en stoommachine van 75 pk, stond er ook een
dieselmotor, "twee koppels pletterstenen met toebehoren, ontzuringsmachines,
Archimedesschroeven en allen verderen alm en gerieven nuttig of
benoodigd in eene lijnkoekmaalderij en brekerij niets uitgezonderd"
(verzekeringspolis 1909).

Dit bloeiend bedrijf produceerde olie uit lijnzaad,
koolzaad, arachidenoten,mais en sojabonen. Een ploegenstelsel stelde
ruim 14 mensen te werk. In december 1929 wordt volgens het kasboek
ongeveer 67.000 liter lijnolie verkocht aan La Société
Coopérative Graines et Huiles Anvers en zeepfabriek La Savonnerie
Moderne te Brussel.

Briefwisseling en offertes uit de jaren vijftig
bewijzen dat de firma zich wil moderniseren, maar daar omwille van
gebrek aan opvolging in de familie niet meer toe komt.
Deze weldoende bedrijvigheid voor de Massemse dorpsgemeenschap,
kende in de zestiger jaren een zachte dood en verviel tot het op
flessen trekken van aangevoerde huishoudolie.
Menig Massemenaar heeft een familielid gekend die in de fabriek
werkte.
Pas op 10 mei 1948 koopt Albert Van Hauwermeir voor 50.000 frank
een gebouw met grond van Dame Maria-Nathalia-Rudolphia-Ghislena
Gravin de Mérode, zonder beroep, hierin bijgestaan door haar
echtgenoot d'heer Luigi-Philippus van Neri-Ignatius-Balthazar Lancelotti,
ook zonder beroep.
Het betreft de watermolen, het reeds tot puin vervallen stampkot
en het achterliggende land op de linkeroever van de Molenbeek.
^ naar boven ^
Toen de paling nog zo dik als een arm was
...
De Molenbeek en de watermolen waren lang geleden de spil van het
dorp.
Mannen en jongens knoopten twee zakdoeken aan elkaar en hadden veel
plezier in het water. Iedereen leerde er zwemmen. In de onderbeek
speelden de kinderen terwijl de vrouwen een oogje in het zeil hielden.

Als Pol, de molenaar, het water stuwde om te malen,
kon men de paling zo dik en zo lang als een arm met de hand opscheppen.
Men kon er de paling zelfs in slaap wrijven door over zijn buikje
te strelen.
De vrouwen uit de buurt kwamen 's winters hun blauwe was drogen
boven de stoomketel, waar 't immers altijd warm was.
Zaterdags werden de kinderen duchtig geschrobd in de beek, warm
water was immers altijd voorradig, dankzij een buis van de stoomketel
die in de beek uitmondde.
Als er een lading noten arriveerde was 't jonge volkje paraat. Ze
holpen mee de voorraad te bergen en snoepten ondertussen gulzig
van de lekkernij, tot ontsteltenis van de moeders die weeral acute
diarree mochten vaststellen - al heette dat toen anders.
^ naar boven ^ |